Rotterdammert

Mijn stad waar ik mijn liefde en mijn zonden leef
Mijn stad vol Rotterdammerts
De stad waar de havens ’s ochtends hun kranen laten rijzen
om trots toe te zien en te waken over hun stad

Om trots toe te zien hoe wij met onze kades de Maas temmen,
haar met onze schepen mennen
terwijl zij dit kolkend toe laat
omdat zij weet dat zoals zij ons wij ook haar respect erkennen

En dat zegt een hoop, dat wij dat zeggen,
want wij zeggen waar het op staat
met onze grote muil
Want dat is wat wij hebben, Rotterdammerts,
een grote muil

Een grote muil die we allemaal van ons eigen wel konnen
Maar dat een ander dat dan nie ken, jammer toch, dacht je’t niet dan, ja toch
kijk,
Als je van het kasteel naar de kuip loop,
dat je dan langs de koelkast mot, ter hoogte van de scheur van Riek Bakker en ruim voor de paalwoningen, het potlood, de gasfabriek, de putdeksel en de landingsbaan naar rechts mot langs de baan en de grafzerken om over de erectie van Peper te gaan. Dat je dan langs het hakblok mot zodat je de paperclip aan je linkerzijde houdt en de periscoop rechts, en dan rechtdoor mot gaan
dat snap iedere Rotterdammert,
en dat als je Jan Gat, Kaat Mossel of het weenawijf ziet niet helemaal lekker gaat ook.

En of je nou langs de graansilo in Charlois loopt, het historisch Delfshaven,
langs de Rotte van de Kralingse naar de Bergse plas
of van Kralingen Crooswijk en het Oude Noorden
tot aan de dijken in IJselmonde,
we konnen allemaal van ons eigen onze hulpwerkwoorden wel en kennen ze zo in kannen en kruiken kroppen

Want zoals de Maas door onze stad heen stroomt
zo stroomt zij ook door de aderen van ons Rotterdammerts.
Samen met de ketel 1
Zo zijn wij verbonden aan elkaar, sterker verbonden
sterker door strijd!

Schreeuwen we door de straten, samenhorig in koor en hand in hand
Zijn wij kameraden!
Zijn wij het Legioen!
het Legioen dat Spartaans tot ongekende hoogt komt
Want wij zijn 010!
Omdat wij de nummer 1 zijn tussen alle nullen.

Want hier wordt gewerkt
Hier wordt geleefd
Hier wordt gedronken
Wij weten wat aanpakken is
en kijken niet vies op van vuile handen

Zo ook die ene man van plantsoenbeheer die met trots op zijn uniform
het groen witte wapen van ONZE stad draagt
Al is zijn trots er alleen al omdat hij iedere dag weer de Rotterdamse aarde mag voelen

En als de kapitein op volle zee al in de verte daar de punten ziet
Euromast, Montevideo, ons Hotel New York
en hij aan zijn sneller kloppend hart voelt dat onze roeiers hem zijn thuishaven binnen varen
Dat hij dan voelt dat het afscheid en het weerzien van zijn stad onlosmakelijk verbonden is met het laden en lossen van onze schepen

En het resultaat van ons harde werken mag er zijn
met onze, ja onze, overweldigende skyline
Onze Erasmusbrug, onze red apple, ons Noordereiland
maar bovenal toch onze hef

Onze hef die net zoals het hoofd van Rotterdammerts
altijd geheven is
Kin omhoog en borst vooruit
Hard voor weinig en sowieso, altijd chagrijnig

En als wij na ons harde werken uit onze Maas zijn gekropen,
onszelf weer in de drank verdrinken
dan hebben wij het vertrouwde wakend oog nog steeds
van de kranen die ons onze wolkenkrabbers brengen
De wolkenkrabbers rondom ons witte huis en onze witte de with

En zelfs de Duitsers die in 1940 een poging deden
het reeds beschreven tabula rasa van onze Desiderius Erasmus te wissen
De Duitsers die tegen onze zwarte duivels liepen,
Wisten ons niet te breken
Ons Rotterdammerts

Want wij zijn 010!
Omdat wij de nummer 1 zijn tussen alle nullen.

Al was het alleen maar mogelijk om jou met woorden te kunnen beschrijven,
maar dat kan niet
Net zoals dat je niet te breken bent
dat je niet te breken bent
niet te breken bent

Niet te breken bent omdat je diep verscholen zit
Want die stad, Rotterdam, die zit van binnen, hier
diep verscholen, in die Rotterdammert,
achter zijn hele grote muil,
in dat hele, hele kleine hartje
ja toch?